“Mijn 2010” – Een jaar later

Geplaatst: 20 augustus 2011 in Blog, Wow
Tags:, , , , , , ,

Het is vandaag (20 augustus 2011) precies een jaar geleden dat mijn leven compleet op zijn kop kwam te staan en nooit meer hetzelfde zou zijn. Graag wil ik er nog eenmaal bij stilstaan, nu, een jaar later.

Mede door de extreme hoeveelheid reacties en lieve berichten die ik vorig jaar op de onderstaande blogs heb gekregen, plaats ik ze hier nogmaals, intergraal achter elkaar.

Zie het als een afsluiter en als bedankje aan al die lieve mensen die er voor me geweest zijn. Al die tijd. Zij weten wie ze zijn. Bedankt. You’re priceless.

________________________________

– Deel I –
________________________________

Soms lijkt alles in het leven mee te zitten. Als een soort geluksengel fladder je van dag naar dag over de hoofden van je medemensen, voedend met geluk. Alles lukt, alles zit mee en de wereld ligt aan je voeten. Ik ken het.
Naast mijn haast natuurlijke drang om alles negatief en zwart wit te zien, kan ik ook intens gelukkig zijn en alles door de welbekende roze bril beschouwen. Dan kom ik lachend uit bed en ga er na een lange positieve dag met een zo mogelijk nog grotere glimlach weer in. Als ik ergens in die tussentijd dood was neergevallen, had men vast gedacht dat ik het slachtoffer was geworden van een moordaanslag van Batman zijn grootste Nemesis; The Joker. Ogen open, een lach van oor tot oor. De make-up laat ik dan maar even achterweg. U snapt het idee.

Afgelopen Augustus zat ik in zo’n zweverige modes. Ik kon alles aan. Op het werk ging alles goed, privé voelde ik me lekker. De eerste helft van het jaar was voorbij gevlogen. En wat daar uit voortkwam was louter positief. Ik was in dat halfjaar ruim 30 kilo afgevallen. Van de langzaam dichtgroeiende persoon die ik aan het begin van het jaar nog geweest was, had ik eindelijk afscheid genomen. Weg. Klaar voor een nieuwe periode in m’n leven. Kortom; ik zat goed in m’n vel.

Op een mooie nazomerse Augustusdag, vrijdag de 20e om precies te zijn, was ik na twee lange dagen buitenwerk, aan een historische brug nabij Arnhem (tussen de koeien nog wel) op weg naar huis. De week zat er op en kon ik gaan genieten van mijn favoriete deel van de week; Weekend.
Enigszins opgefokt als meestal tijdens weer een drukke middag op de Vaderlandse wegen, had ik me door de drukke avondspits op de A50 heen gewerkt en via alle mogelijke rijbanen de snelste weg naar huis gevonden. En dat ging aardig. Het astmatische motortje van de Hybride Honda draaide overuren terwijl Roxy Music via de iPod door de speakers knalde. Een heerlijke combi. Even na vijven reed ik thuis de parkeerplaats op. Ik parkeerde de auto en scharrelde telefoons, iPod, tas en andere onmisbare accessoires bij elkaar.
Ik droeg nog steeds m’n werkkleding. Een “Amerikaans overall” en m’n werkschoenen. Het overall was door het verlies van al die kilo’s veel te groot inmiddels, maar dat interesseerde me vrij weinig. Het had lekker veel zakken, dus ik droeg het nog graag.

Toen ik vanaf de auto richting de ingang liep, zag ik m’n moeder in de keuken staan. Ze zwaaide. Zoals elke moeder was ze elke dag opnieuw blij als ik weer thuiskwam.

Eenmaal binnen begroete ik haar en gaf haar een kus. Ze stond vlees te braden. M’n vader was naar de snackbar om een zak friet halen. We hielden het lekker makkelijk, deze vrijdag.
Na een kort praatje over de dag schoot me ineens te binnen dat ik nog een aantal foto’s had van mijn bijzondere werkomgeving, tussen de koeien. Ik pakte m’n iPhone en liet haar de bewuste foto’s zien. Terwijl ze met het vlees bezig was, keek ze vol bewondering naar de plaatjes.

20110820-015759.jpg

Toen ik ze allemaal meerdere malen had laten zien, stopte ik m’n telefoon weg. Ik draaide me om en wilde naar de douche gaan om eindelijk m’n stoffige werkkleding uit te trekken.

En toen gebeurde het. Een fractie van een seconde. Een moment dat m’n leven compleet op z’n kop zou zetten en waardoor het nooit meer hetzelfde zou zijn.

Ik liep de keuken uit. Vlak voor de drempel richting de woonkamer bleef ik staan. Ik kon geen stap meer zetten. Het leek op een soort extreme duizeligheid, een soort zweverig gevoel in m’n hoofd. ‘Mam, ik wordt niet goed’ bracht ik haperend uit en greep de deurpost vast. Op hetzelfde moment trok een ijskoud, doods gevoel tintelend vanuit m’n linkervoet omhoog door de rest van m’n been. Ik probeerde een paar stappen te zetten en greep in een soort paniek naar een eetkamerstoel, nog geen meter van me af. Het waren hooguit twee stappen. Maar het was tevergeefs. Ik had al geen kracht meer om de stoel weg te schuiven. M’n linkerarm had het in de tussentijd ook begeven. Langzaam voelde ik mezelf wegzakken. Letterlijk. ‘Ik zak weg’ riep ik in paniek. M’n moeder, die inmiddels achter me stond en me vasthield, probeerde me op te vangen. Maar wat waren de kansen? Ik die neerstort, 2,03m en met een even indrukwekkend gewicht. Ik was als een Vliegtuig dat neerkwam. Ze was kansloos.
Ik viel naar links, langs de eetkamerstoelen, half de gang in. M’n linkerbeen draaide zich in een onnatuurlijke houding weg onder m’n lichaam en ik viel er bovenop. Daar lag ik, maar eindelijk kwam deze slechte film even tot stilstand. Alles bij elkaar had hooguit een seconde of 3-4 geduurd. Niet meer dan dat. Maar echt, en het is zo cliché, het leken minuten. Alles ging in slowmotion. Dingen flitste voorbij. Wat gebeurde er?
Het is verbazend over hoeveel dingen je kunt nadenken in slechts een paar seconden. Het eerste waaraan ik dacht, was aan m’n hart. Ik dacht aan opa die dood neerviel na een hartaanval. En toen, een fractie van een seconde later, dacht ik dat ik dood zou gaan. Het was klaar. Afgelopen. Ik wist het zeker.

Daar ging ik dan, 24 jaar oud, liggend in m’n moeders armen. Het was over. Ik ging dood.

Het idee van “Dit is het dan” dat, dát gevoel is heel eng. Je kunt het je niet voorstellen. Het is niet te beschrijven. Tot op de dag van vandaag bezorgd het me nog steeds huizenhoog kippenvel en lichte paniek. Doodgaan. Ik had het me heel anders voorgesteld. In ieder geval een jaar of 50 later.

Maar toch was ik er nog. Ik lag er dan wel raar bij, zo op m’n linkerzij en bovenop m’n linkerbeen, maar ik leefde nog. M’n arm lag in een vreselijk onnatuurlijke houding achter me. Ik schrok van de aanblik, maar wat ik ook probeerde, ik kon hem niet bewegen. Ik draaide m’n hoofd omhoog en keek m’n moeder recht in haar gezicht aan. Ze zat inmiddels half achter me en ik hoorde haar praten. Ze was opvallend rustig, bijna zakelijk. Voorzichtig rolde ze me terug op m’n rug, legde m’n arm recht en trok m’n been onder m’n lichaam weg. Terwijl ze dit deed, stelde ze me allerlei vragen. ‘Waar ben je? Wat is het voor een dag? Wat heb je vandaag gedaan?’ en meer van dit soort vragen die je normaal alleen een dokter aan een hoogbejaarde patiënt hoort vragen bij van die “Trauma” programma’s op SBS6. Maar fucking hell, ik was nu zelf in zo’n slechte serie beland.
Het vreemde van alles was dat ik gewoon bij was. Ik wist alles nog en kon gewoon antwoorden. Maar ja, daar had ik weinig aan, zo half verlamd liggend op het laminaat.

Na wat een eeuwigheid leek te duren, voelde ik langzaam weer een warm gevoel terugkomen in m’n voet en de rest van mijn linker lichaamshelft. Het kwam haast net zo snel als dat het verdween weer terug. Opnieuw een naar tintelend gevoel, maar er was weer gevoel. Ik begon voorzichtig mijn been en m’n arm te bewegen. Het ging. Met een beetje hulp van m’n moeder ging ik rechtop zitten. M’n moeder zat nu voor me en keek me in het gezicht. Met haar handen voelde ze aan m’n mond en aan m’n ogen. Het was een check om te kijken of alles nog ok was. Het was op het eerste gezicht goed. M’n gezicht hing niet en ik zag er normaal uit.
Ik wilde nu niets lievers dan weer gewoon opstaan. Stukje bij beetje probeerde ik dit. Het lukte, met moeite, maar ik stond. En daar was ook alles mee gezegd.

Ik had totaal geen energie meer. Ik was compleet leeg. Trillend stond ik, steunend op m’n moeder, lichtelijk versuft rond te kijken. Ik was doodsbang. Angstig zette ik wat stappen. Het ging. Ik liep naar een stoel en ging zitten. Pas nu sloeg de nervositeit bij m’n moeder toe. Ze wilde een ambulance bellen en me op laten komen halen. Maar gelukkig, ik ben niet zo eigenwijs…
Toen m’n vader thuiskwam, werd de paniek bij beiden nog groter. Maar ik wilde nog even wachten. Sterker nog, ik heb gewoon nog friet gegeten. Met jopiesaus. Tot groot ongenoegen van beide ouders. Tijdens het eten merkte ik dat het leek alsof ik de controle nog steeds niet terughad over m’n arm. Het kneep m’n strot dicht.

Uiteindelijk heb ik kort daarna, onder dwang, naar het ziekenhuis gebeld. De huisartsenpost want het was na vijven en dus weekend. Nadat ik kort had uitgelegd wat er gebeurd was, op een zo nonchalant mogelijke toon, werd het even stil. Ik moest ‘Zo snél mogelijk langskomen!!’. De vrouw aan de lijn was net zo pissig over mijn late reactie als m’n ouders. Ze vroeg of ik langs kon komen. Geen probleem. M’n vader stond stand-by.

In het ziekenhuis kon ik gelijk doorlopen. Men was op de hoogte van m’n komst. Ik ging de spreekkamer binnen en schudde de arts de hand. Een vriendelijke vrouw.
Ik krijg de jeuk van ziekenhuizen, wordt er nerveus van. Zo ook deze keer. Alleen was ik er nu voor mezelf en niet op visite.
De arts deed allerlei simpele onderzoeken; Bloedonderzoek, bloeddruk, neurologische checks, alles. Het frustrerende was dat ze zwijgzaam en serieus bleef. Té serieus.

‘Ga even zitten’ zei ze. Ik gehoorzaamde en ging in de stoel voor haar bureau zitten. ‘U heeft waarschijnlijk een TIA gehad’ zei ze snel en kortdaad.
Het was een klap, recht in m’n gezicht. Ik werd gek. Wist niet wat ik moest zeggen. Ik kon niets uitbrengen, was bang. ‘Ik moet u helaas wel weer naar huis sturen. Er wordt pas op maandag weer onderzoek gedaan op de TIA-poli.’ sprak ze vervolgens.
Ze gaf nog een korte uitleg. En daar moest ik het dan maar mee doen. Het hele weekend rusten en maandag melden in het ziekenhuis. Zodra ik ook maar iets merkte, moest ik bellen. Nee, dan ga je lekker het weekend in.

Lamgeslagen en met een dof gevoel keerde m’n vader en ik huiswaarts. Ik kreeg een informatiepakketje mee over TIA’s en allerlei andere hersenkwalen. Gezellig, iets te lezen voor in het weekend.

De schok bij familie en vrienden was enorm. Een zondevloed aan lieve bezorgde berichten bleef doorstromen. Ik antwoordde alles, maar kreeg er bijna niks van mee. Alles ging langs me heen. Ik kon niet helder nadenken.
Ik sliep bijna het hele weekend. Ruim 16 uur op zaterdag en 18 uur op zondag. In de spaarzame uurtjes die ik wakker was, durfde ik amper te bewegen. Ik voelde me een tijdbom. Het voelde alsof er, elke keer als ik bewoog, er weer een bloedpropje door m’n kop zou schieten. Angst. Pure angst. Doodsangst. En er zelf geen grip op hebben. Het sloopte me. Kwam die maandag maar wat sneller dichterbij. Maar hij leek, vol angst liggend in bed, weken te duren.

________________________________

– Deel II –
________________________________

Maandag 23 augustus. Eindelijk. Ik mocht naar het ziekenhuis voor een hele dag onderzoek. Ik was kapot, leeg en moe. Zelfs naar het toilet gaan bleek eigenlijk al teveel. Het klinkt raar, maar ik was toch blij dat ik naar het ziekenhuis mocht. Ik, ziekenhuis en blij. In één zin. Wie had dat ooit gedacht.
Ook was ik blij dat m’n vader meeging. Ik was ontzettend bang en al helemaal voor het ziekenhuis. Durfde niet alleen. Maar het was nergens voor nodig.

De dame die ons op de TIA-poli verwelkomde, gaf me een rustig gevoel. Ze was vriendelijk, begripvol en legde alles tot in detail uit. Daar hou ik van. Als enorme controlfreak weet ik graag van tevoren wat er gaat gebeuren. Zo ook in het ziekenhuis.
‘Welkom in het TIA-traject’ zei ze haast iets te vrolijk. En dat terwijl het zo gezellig klonk; TIA-traject. Alsof ik weer op schoolreisje was. Maar dan 15 jaar later. In een ziekenhuis zonder energie en met een arts tegenover me.

20110820-015952.jpg

Ik kreeg een paar A4-tjes met daarop een uitleg over wat er vandaag ging gebeuren.
Er stonden me een bloedonderzoek, halsvaten echo, CT-scan, neurologische onderzoeken, een onderzoek van het hart en een hartfilmpje te wachten. Wat een feest.
Ook vertelde ze me dat ik voor het hele traject aan een mede-patiënt gekoppeld zou worden. Dit was gebruikelijk. ‘Dan hadden we beiden nog wat afleiding en konden we rustig praten’ zei ze. Ik vond het prima.
Terwijl we met de intake bezig waren, kwam er een zuster binnen. ‘Ah, zij komt even een paar buisjes bloed prikken!’ riep ze wederom op een net iets té vrolijke toon.
Alsof ik er blij van moest worden. Ik schrok. Hier had ik niet op gerekend. Stom, want natuurlijk had ik kunnen weten dat ze bloed nodig hadden! Shit…

De bloedprikkende dame in kwestie rolde m’n mouw op en trok een strakke band aan om m’n bovenarm. Behendig haalde ze vier buisjes tevoorschijn in een mooi houdertje en plaatste deze op de tafel. En toen kwam de naald. Die vreselijke naald. Ik moest een vuist maken en kreeg het warm. De woorden ‘Ik hoop dat ik in één keer de ader vind’ hielpen niet echt mee aan mijn vertrouwen.
Met een korte ruk draaide ik m’n hoofd weg. Ik keek naar de muur naast me. Er hing een groot prikbord met daarop allerlei goedbedoelde informatie pamfletten. De meeste gingen over stervensbegeleiding en leven zonder overleden dierbare. Dus.
Ondertussen voelde ik wat gepruts aan m’n arm en het bandje dat weer losgehaald werd. ‘Kunt u dit even vasthouden?’ Ik keek omlaag. Ze hield een watje vast op de plek waar ze net het bloed had afgenomen. Behulpzaam hield ik het ding vast tot de pleister erop zat.
Ze pakte haar buit bij elkaar, groette nog een keer en vertrok weer.
De arts tegenover me vervolgde haar spervuur aan vragen van de lijst die voor haar lag. Of ik rookte. Of ik dronk. Of ik kinderen had. Dat soort dingen.
‘Ik schrok van uw leeftijd’ voegde ze er als laatste aan toe. ‘Normaal gesproken zijn het hoogbejaarde mensen met dit soort klachten’. Ik knikte zwijgzaam. Het interesseerde me niet.

Toen alles klaar was, volgde we haar richting een kamer. Omdat het een dagtraject was, kreeg ik een kamer aangeboden met bed en al. Samen met mijn new-best-friend en mede-patiënt, die ik overigens nog steeds niet ontmoet had, kon ik me hier rustig opladen tussen de onderzoeken door.
Ik volgde haar de kamer in en zag aan de tafel bij het raam 2 personen zitten. De arts stelde mij en m’n vader aan hen voor. De man die hetzelfde moest doormaken als ik deze dag en zijn zoon. Zo als het eigenlijk zou horen. Een zoon die met z’n vader op de afdeling neurologie zit en niet andersom.
De beste man was 82 jaar oud. Ouder dan mijn opa. En toch, hier zat ik, 24 jaar oud, tegenover deze breekbare oude man te praten over hetzelfde noodlottige voorval. Het was een bizarre gewaarwording.

Om en om werden we geroepen voor het volgende onderzoek. De dag ging relatief snel voorbij. De echo’s, CT-scan en neurologische onderzoeken verliepen goed. Al voelde ik me vreselijk oud en relatief ongelukkig. Ik hoorde hier niet te zijn. En dit merkte je aan alles. Als er weer een nieuwe arts of assistent binnenkwam, begon men standaard tegen m’n vader te praten. Ze zagen me niet zitten. Te jong.

Na het hartfilmpje (waarbij ze nog een redelijke hoeveelheid van mijn borsthaar meenam…) was het klaar. Het enige dat nog zou volgen was een evaluatie met de Neuroloog zelf. Hiervoor moesten we nog wel ruim een uur wachten. Wat een eeuwigheid. En met die bejaarde meneer, hoe vriendelijk hij ook was, had ik ook niets meer te bepraten. Ik had het zelfs al over het weer gehad. Hét teken dat een gesprek op zijn dieptepunt is beland.

Uiteindelijk was het moment daar. De uitslag. Ik ging het kantoor van de Neuroloog binnen en nam plaats voor het bureau. M’n vader naast me. Ik was bloednerveus. Wat had hij te vertellen?
De Neuroloog legde een dik pak papieren op zijn bureau, bijeen gehouden door een ouderwets ogende archiefmap. Hij sloeg de map open en begon te bladeren. Zijn assistentes aan weerszijden meekijkend. Hij keek me aan. ‘Ik durf het niet te zeggen’ zei hij terwijl hij me nog steeds strak aankeek. ‘Je hart is goed, er zit geen vernauwing in je halsslagaders en ook de bloedwaardes zijn ok’ vervolgde hij. ‘In je hoofd heb ik niet goed kunnen kijken. Op de CT-scan heb ik geen afwijkingen kunnen constateren. Hij is eigenlijk te oppervlakkig’. Ik vroeg hem wat er nu ging gebeuren.
‘Kijk’ sprak hij op een lossere toon ‘laten we dit zeggen, als je 82 was geweest, had ik gezegd; Ok, het was een TIA, gaat u gewoon weer naar huis en hou eventuele klachten in de gaten. Maar jij bent nog maar 24. Ik durf het dus niet te gokken’. Ik keek hem onbegrepem aan. ‘Dus ik wil elke millimeter van je hersenen in kaart brengen. Dit doe ik met een uitgebreide MRI-scan. Daarmee zie ik elke afwijking in je hoofd’.

Ik vond het vreselijk. Want wat was ik nu opgeschoten? Wat was ik nu eigenlijk wijzer geworden? Helemaal niks. Hij had er geen vinger op kunnen leggen. Niet iets dat aan te wijzen was. Geen geruststelling. Ik wilde dat hij uit die dikke oude map een foto tevoorschijn haalde en er met zijn pen een kringetje op tekende. ‘Kijk, Dát was het Meneer, maakt u zich geen zorgen. Het kan geen kwaad!’. Maar nee. Ik was weer dezelfde tijdbom als het afgelopen weekend. Wachten op een MRI. Moe. En lamgeslagen. Alweer.

Thuis ben ik gelijk weer het bed ingedoken. Ik wilde alleen nog maar slapen. Van de Neuroloog mocht ik wel weer dingen gaan proberen. Kijken wat ik kon. Maar stress vermijden. Het interesseerde me niet. Hij had makkelijk praten. Want wat had ik een ongelooflijke hekel aan m’n leven op dit moment.

De week ging langzaam voorbij. Ik was weer een keer mee geweest naar de Supermarkt. Weer wat gewandeld met de hond. Maar nooit alleen. Ik durfde het niet. Zelfs douchen vond ik eng. Het idee dat ik zo neer kon vallen liet me maar niet los.

Op donderdag ben ik nog even op kantoor geweest. Met m’n moeder naast me als begeleider. Daar liep ik dan. In m’n kamer werd ik omringd door hordes collega’s. Iedereen was geschrokken. Ik deed als een automatische piloot m’n verhaal een paar keer. Ik was gesloopt maar liet er niks van merken. Stel je voor zeg. Ik was toch stoer? Met m’n leidinggevende had ik het alweer over werken. Ergens de week erna moest wel weer gaan. Dacht ik. Maar ik was een wrak. Het probleem was dat ik het niet kon, nee, niet wílde zien. Ik vond het vreselijk m’n collega’s zo aan hun lot over te laten. Zo voelde het.

Eenmaal weer thuis werd het erger. Ik heb er een dag van bij moeten komen, ben de hele vrijdag niet uit bed geweest. Maar nee hoor Danny, hou jezelf maar lekker voor de gek. Stoere jongen hoor.

Vrijdagavond. Ik wilde eindelijk deze week afsluiten. Op naar de volgende. Ik had namelijk vandaag te horen gekregen dat ik volgende week dinsdag voor de MRI mocht. Ik wilde het afronden. Zo snel mogelijk.

Maar weet je nog? Hoe ik dit verhaal begon? Het ging mis. Goed mis. En het lot was nog niet klaar met mij. Ben je gek, die TIA was nog niet genoeg blijkbaar.

Midden in de nacht werd ik wakker van een vreselijke pijn in m’n zij. Aan de rechterkant, net onder m’n ribben. Het straalde uit naar m’n buik en rug. Ik schoot overeind, zat rechtop in bed. Ik was zeiknat van het zweet. M’n haar plakte op m’n voorhoofd.
Voorzichtig rolde ik naar de rand van het bed. Wat nu weer?

Ik probeerde op te staan maar werd direct teruggeworpen op bed. Ik ging kapot van de pijn. Een onbeschrijfelijke pijn die constant hetzelfde blijft. Een steek die door je lichaam trekt en die niet minder wordt, hoe je ook zit of ligt. Je kunt niet stil blijven zitten. Als een soort junkie zit je heen en weer te wiegen. Ik werd misselijk. Misselijk van de pijn.

Strompelend ging ik in het donkere huis op zoek naar pijnstillers. Ik vond er wat. Diclofinac, 100mg. Dat moest helpen. Eigenwijs als gewoonlijk, heb ik niemand geroepen. Al zwetend liep ik rondjes om de salontafel. Om 3.35u s’nachts.

Maar ik wist wat het was. Het waren galstenen. Ik was er van overtuigd. Het jaar ervoor had ik namelijk al eens nierstenen gehad. Men vermoede toen omdat ze niks konden vinden in m’n nieren, dat het ook galstenen zouden kunnen zijn. Het was dezelfde soort pijn. Ik hield het niet meer.

Rond 6.00uur hield de pijn op. Het was alweer licht intussen. Compleet gesloopt ging ik weer naar bed. Ik viel vrijwel direct in slaap. Kon het allemaal nog erger?

Jawel, dat kon. Tuurlijk, waarom niet? Ik was het toch?

________________________________

– Deel III –
________________________________

De zondag die op deze onverwachtse horrornacht volgde, was al even bizar. Ik had zo mogelijk nog minder energie dan het beetje dat ik de afgelopen week weer langzaam had opgebouwd. De pijn had alles vakkundig in die drie uur durende hel de afgelopen nacht weggevreten. Weg. Terug bij af.

Langzaam trok de zondag voorbij. Het was weer voornamelijk een hoop slaap. Een uurtje of 15 schat ik. Op de spaarzame momenten dat ik wakker was en kon bewegen, deed ik dat liever maar niet. Ik had spierpijn. Maar echt overal. Zelfs m’n haar leek zeer te doen. Ik heb zelfs de Grand Prix van België grotendeels gemist. Dat zegt genoeg.

En zo ging het door. Pijnlijk. Onzeker. Bang. En moe.

Die dinsdag, 31 augustus, kreeg ik de MRI. Ik had er naar uitgekeken. Als ik dit had gehad, wist ik waar ik aan toe was. Dan kon ik dit gefuck afsluiten en doorgaan met m’n gewone leven.

Maar het was nog geen dinsdag.

Maandag op dinsdag nacht. Iets over tweeën. De dekens waren zeiknat. Ik lag in een soort foetushouding in bed te trillen. Ik had pijn. Helse pijn. In m’n rechterzij…

De pijn was nog heviger dan de zaterdag ervoor. Ik ging opnieuw kapot van de pijn. Zweet liep in kleine straaltjes van m’n hoofd. Het prikte in m’n ogen. Als een spastische slang rolde ik van links naar rechts over het bed. Af en toe zat ik rechtop op de rand van het bed te shaken. En weer liggen. En een rondje om het bed. Weer zitten. Liggen. Rollen.
Het werd 4.00u. Het werd 5.00. Voor ik het wist zag ik in deze pijniging de klok richting 8.30u gaan. Om 10.30u had ik mijn MRI. De MRI waar ik zo naar uitgekeken had. Hij leek nu, 2 uur verwijderd, onzekerder dan ooit.

Uiteindelijk heb ik verslagen opgebeld naar de afdeling Radiologie. Ik kon niet. Het ging gewoon niet. Zoals ik er nu bijlag, ging het helemaal niet goed komen. De man aan de lijn was begripvol en vertelde me dat hij zou kijken of ik er volgende week nog ergens tussen geschoven kon worden.
Ik was opgelucht maar bovenal enorm teleurgesteld. Waarom was het mij niet gegund? Waarom werd ik zo in elkaar getrapt? Elke keer als ik weer langzaam aan het opkrabbelen was werd ik weer vakkundig en uiterst effectief onderuit gemaaid. Keer op keer. Moest ik dood?

De pijn werd heviger. Ik hield het niet meer. Ik werd letterlijk gek van de pijn. Moest er van overgeven. Maar er kwam niks. Ik zat al een uur te droogkotsen boven een lege emmer. Het spaarzame beetje dat al in m’n maag zat, was er bij de eerste misselijkheids Tsunami al uitgekomen.

Ik maakte me ook zorgen om de hoge mate van stress die bij dit soort pijn hoorde. Want stress moest ik nou net voorkomen. Op deze manier was een tweede TIA gewoon een kwestie van tijd. Het hielp niet mee.

Ik belde rond 9.00u de huisarts. Maar natuurlijk ging ook dit niet zonder slag of stoot. De huisarts was met vakantie. Ik heb hem nooit nodig, maar nu, nu ik hem écht nodig had, was de beste man met vakantie. De lul.
Gelukkig was er een vervangende arts. Toen die eindelijk opnam, had de infantiele assistente geen idee in wat voor een doodsstrijd ik verwikkeld was. ‘Neem maar een paracetemolletje’ was het advies. Het is hét standaard doktersantwoord. ‘Neem maar een paracetemolletje’. Volgens mij is dat het eerste dat je als arts in opleiding geleerd word.
Ik werd kwaad. Of de mevrouw enig idee had wat er aan de hand was? Nee, dat had ze niet. Maar, ik mocht, met godsgratie, langskomen. Om 10.15u. Ik legde de telefoon neer en ging verder met waar ik gebleven was. Spastisch rollen en rondjes om de salontafel lopen.

Maar het werd alleen maar pijnlijker en pijnlijker. Mijn snelwandel recordpoging om de salontafel hielp zelfs niet meer. Jankend en schreeuwend stortte ik langzaam in. M’n moeder in paniek. M’n vader bleef rustig, maar belde gelijk opnieuw de huisarts. Dat er NU wat moest gebeuren. Ik vond alles prima. Ik was op een punt aanbeland dat ik me nergens meer druk om kon maken. De pijn had het laatste kleine deel dat zich strijdbaar weerde kapot gesloopt. Het liefst zou ik m’n ogen sluiten en niet meer wakker worden. Ik had er vrede mee.

Een halfuur later was er dan toch een huisarts. De vrouw was midden in haar spreekuur naar mij toegekomen. Ik was een zogenaamd spoedgeval. Wauw, wat een eer.
Toen ze binnenkwam had ik bijna geen gevoel meer in m’n handen en benen. Het tintelde als een gek. Ik was aan het hyperventileren zo bleek. Snel moest ik m’n ademhaling onder controle zien te krijgen.
De arts luisterde en voelde wat, en kwam al snel met de conclusie die ik al een paar dagen geleden getrokken had. ‘Het zijn vrijwel zeker galstenen’ zei ze. Ik was soort van opgelucht. Maar ja, wat nu? De pijn werd er niet bepaald minder van.
Om te beginnen kreeg ik 2 injecties; De eerste was een soort spierverslapper, de tweede was Morfine. Als dat niet ging helpen….
Ze spoot er één in m’n bovenbeen, en één in m’n bil.

20110820-020430.jpg

Na een kwartier begon de cocktail te werken. De pijn leek te zakken en ik begon het langzaam warm te krijgen. Het voelde alsof ik zweefde. Alles kreeg mooie kleuren. Kortom; ik was aan het trippen. Big time. Foto’s zwaaide enthousiast naar me, er kwam een lachend pluche schaap voorbij, en ik wilde alleen nog maar slapen.

Na een paar uur werd ik wakker. Ik was licht in m’n hoofd, ik zweefde nog steeds een beetje. En ik was gesloopt. Opnieuw deed alles pijn. Ik was terug bij af.

Ik kon niet meer. Ik heb gehuild. Wel een uur lang. Was ontroostbaar. Hoe hard men het ook probeerde.

In de tussentijd had de huisarts gebeld om te vragen hoe het ging. Ook had ze een afspraak gemaakt voor een echo en een bloedonderzoek. Het kon al de aanstaande maandag, 6 september. Ik vond het prima. Hoe sneller hoe beter. Ik wilde dat ik deze dinsdag door kon spoelen.

Maar blijkbaar was zelfs deze hel nog niet genoeg. Ook dit keer was ik weer langzaam omhoog aan het krabbelen, maar toen ik opnieuw bijna stond, kreeg ik weer een duw. Een beste dit keer. De final blow; De knock-out.

Zaterdag 4 september. Rond 9.30u werd ik wakker om naar het toilet te gaan. Een vaag, licht stekend gevoel diende zich aan in m’n zij. Ik kon dat gevoel. Maar wilde er niks van weten.
Natuurlijk hielp mijn koppigheid niet. Er was geen ontkomen meer aan. Binnen een halfuur lag ik weer rollend en kermend op bed. Het leek wéér heftiger dan de voorgaande keren.

M’n vader heeft gelijk de huisartsenpost gebeld. Ik kon zelf geen woord meer uitbrengen, hapte naar adem van de pijn. Nooit heb ik geweten dat een mens zoveel pijn kon hebben. Ik vroeg me af hoe lang nog. Voor mijn gevoel kon het een paar kanten op.
1: Ik kreeg weer een TIA.
2: Ik ging knock-out door de pijn
3: Ik ging gewoon dood.
Maar één ding wist ik zeker. Dit ging ik niet langer trekken.

Het advies van de huisartsenpost was, tadatada, wat een verassing, een paracetemolletje en ik kon eventueel nog andere pijnstillers op komen halen. Juist.

M’n vader haalde ze op en nam ze in. Het hielp niks. Ondertussen was het al bijna middag. En het ging steeds slechter.

Ik sloeg met m’n hoofd tegen de muur. Letterlijk. Ik kotste mezelf leeg. Maar ook dit was snel klaar. Jankend liep ik het hele huis door. Schreeuwend. M’n moeder achter me aan. Eveneens huilend. In paniek. Ze kon het niet aanzien en belde weer smekend het ziekenhuis. Ik moest komen. Direct. En daar zag ik tegenop. Ik moest de auto in. En daar kon ik niet jankend liggen rollen. Want ik zat in de gordels.

Eenmaal onderweg zat natuurlijk alles tegen. Alle verkeerslichten op rood, omleidingen, zondagsrijders, you name it. De rit die normaal een kwartier duurt, duurde bijna een halfuur. Daar zat ik dan met een handoek om m’n nek en een emmer tussen m’n benen. Maar uiteindelijk was ik bij het ziekenhuis. En ik was nooit eerder zo blij het gebouw te zien.
Steunend op m’n vader strompelde ik de spreekkamer binnen. Ik moest weer m’n verhaal doen. Ik voelde me steeds verder wegzakken. Het liefst greep ik het mens bij haar strot om haar die Morfine af te dwingen.

Gelukkig duurde dit niet zo lang en kwamen de injecties tevoorschijn. Ik kreeg er eerst één met een spierverslapper en daarna twee(!) met Morfine. ‘Gaat u maar even in een kamertje hiernaast liggen. Ik denk dat u na een kwartier niet meer weet dat u bestaat. Dit moet helpen!’ waren haar bemoedigende woorden.

Na een halfuur in dezelfde, onveranderde helse pijn en een halve volgekotste emmer (met water, want alles wat ik dronk kwam er gelijk weer uit) later, was er geen verbetering. De arts stond vol verwondering te kijken. ‘Dit kan helemaal niet’ zei ze verbaasd en haast bewonderenswaardig. Maar toch. Ik merkte helemaal niet van 2 injecties Morfine. Ze vertrok en ging overleggen.

Na een paar minuten kwam ze terug. Met een rolstoel. Ik moest direct naar de spoedeisende hulp. Zo. Wat een doortastendheid. Ik was kwaad. Je moet eerst een week bijna doodgaan, creperen van de pijn en dán pas mag je naar de spoedeisende hulp. Zo werkt dat blijkbaar.

De rolstoel had ik nodig. Ik kon geen stap meer zetten, zo leeg was ik. Op de spoedeisende hulp kreeg ik wéér een soort intake. En hier was ik blij met m’n vader. Die heeft het woord gedaan.
Uiteindelijk kwam ik in een bed terecht. Omringt door gordijnen. Gehorig. Druk. En ik moest in een potje plassen. Maar dat ging niet. Elk beetje vocht had ik al uitgekotst. Ik, een bekertje, een ongeduldige zuster die meekijkt en een gordijn waar ik de mensen gewoon langs zag lopen gaan niet samen. Geen plas in een doorzichtig bekertje met het groene dekseltje.

De dag duurde lang. Ik werd lekgeprikt. Pijnstillers, een infuus en bloedonderzoek. Maar zelfs dit maakte me niet meer uit. Maar ik bleef pijn houden. En elke keer maar weer dat vragenvuur van wéér een dokter of zuster. Ze wilden alles weten. Maar ze wisten toch alles al? Het was slopend.

Met bed en al ging ik aan het eind van de avond, want dat was het ondertussen, naar de radiologie voor een echo. De gangen waren donker en verlaten. Doodstil. Het gepiep van de wieltjes onder het bed echode door in oneindigheid. M’n vader aan het voeteneind, een broeder aan het ander eind. Na een paar minuten geslinger door de verlaten gangen kwamen we aan bij de echo-afdeling. Er zat al een arts klaar achter zijn apparaat.
Ik knoopte m’n shirt open. De kou van de gel op m’n buik schoot door m’n hele lichaam. Ietwat pijnlijk schoof hij met het scan-apparaat over m’n buik. ‘Er zitten aardig wat stenen’ zei de man uiteindelijk. ‘Ik kan me voorstellen dat u daar last van heeft’. Nou, daar hebben we hét understatement van 2010 te pakken. Er kwam een uitdraai tevoorschijn en ik werd weer teruggereden naar de Spoedeisende hulp.

En eindelijk, na deze lange dag, zag ik daar de chirurg met het goede nieuws. Ik moest blijven “Ter observatie”. Want wat er ook gebeurde, ik wilde niet naar huis. Niet in deze staat. Dat had ik al besloten.
Het bed werd weer de gangen door gereden door een vriendelijke broeder. Hij stelde me gerust. M’n vader was ondertussen vertrokken naar huis om m’n tas in te pakken.

Ik kwam op een zaal terecht met drie andere heren. Twee hoogbejaard en de andere van mijn leeftijd. Ik was doodop.

Daar lag ik dan.

20110820-020620.jpg

Ik probeerde te slapen. En het lukte. Rond 23.30u was ik alweer wakker. Voorzichtig opende ik m’n ogen. Ik kwam overeind. Voelde in m’n zij. Verdomd. De pijn was weg! Tenminste, de steken waren weg. Een beetje een zeurderig gevoel was het enige dat nog restte.
De nachtzuster kwam checken hoe het was. M’n bloeddruk werd gecontroleerd. Ik wilde gaan slapen, maar toen ik rechtuit wilde gaan liggen, kwam ik erachter dat dit niet lukte. Het bed was te klein. Dit had ik niet eerder gemerkt omdat ik constant lag te stuipen. Maar nu kon ik niet gaan liggen zoals ik dat wilde.
Er was snel wat op gevonden. De nachtzuster verwijderde de complete achterkant van het bed. Zo kan het ook.

20110820-020751.jpg

De nacht was rommelig. De oude man die schuin rechts tegenover me lag liep de hele nacht te spoken. De nachtzuster kwam elke keer de zaal op om alles te checken. M’n bloeddruk moest om de twee uur gecontroleerd worden. Hel.

De ochtend, die al gezellig om 7.00u begon, verliep redelijk. Ik heb een beetje rondgelopen. Ik was nog wel slap, maar de stekende pijn was bijna weg.

Rond de middag lag ik in bed wat met m’n iPhone te spelen. Er kwam een man binnen, gevolgd door 2 verpleegkundigen. Aan het eind van m’n bed bleef hij staan. Hij pakte de map en bladerde die door. Hij stelde zich voor. Het bleek de chirurg.
Na wat onderzoekjes en wat overleg met de verpleegkundigen draaide hij zich weer richting mij. ‘Uw galblaas is heel erg ziek en moet er eigenlijk zo snel mogelijk uit’. Ik voelde een vorm van blijdschap door m’n lichaam schieten. ‘Maar’ vervolgde hij ‘Ik mag niet opereren in verband met uw neurologische conditie’. BAM. De blijdschap die ik een seconde geleden voelde was als een zeepbel uit elkaar geknapt. ‘Ik heb zojuist contact gehad met de Neuroloog, en er moet een periode van minimaal 3 maanden tussen zitten. Maar ik moet opereren. U bent echt heel ziek’. Hij ging verder over de risico’s. En over de noodzaak van deze operatie. Ik moest specifiek aangeven toestemming te geven en de risico’s te onderkennen. Maar wat waren die risico’s? ‘Er kunnen zich nieuwe stolsels vormen. De narcose kan ook als een trigger werken. Naar mijn mening is de kans aanzienlijk dat het goed gaat, maar de risico’s zijn stukken groter dan normaal’
En daar lag ik dan. Ik moest kiezen uit twee kwaden. Liet ik de operatie niet doorgaan, kon ik rekenen op een hoop ellende. De aanvallen worden steeds heftiger, het was wachten op een slecht moment dat de galblaas het zou begeven. En dan was het klaar. Liet ik het wel doorgaan en het ging mis, was ik misschien voor de rest van m’n leven een kasplantje.

Toch was de keuze makkelijk. Ik wilde dat ding eruit hebben. Niets lievers.

De arts snapte dit en vertrok voor een tweede gesprek met de Neuroloog. Hij draaide zich om en liep richting de deur. Ik volgde hem en keek hem na. De klok die boven de deur hing stond op 12.05u.

Het was 12.20u. Ik lag, gehuld in een blauwe cape in een bed te wachten op de lift. Ik werd met spoed naar de operatiekamer gebracht. Op zondag. Het was eindelijk zover. Over een paar uur zou ik verlost zijn van mijn grootste lichamelijke vijand. Dan werd ik wakker zonder galblaas. Of als kasplantje met een ernstige hersenbeschadiging. Dat was nog niet zeker.

De liftdeuren gingen open en de broeders reden me de lift in. ‘Nou meneer DB, daar gaan we dan!’ zei één van hen. Hij drukte op het onderste knopje. “OK” stond er op. De lift kwam in beweging.

________________________________

– Deel IV –
________________________________

Ik had nog nooit in het ziekenhuis gelegen, laat staan een operatie ondergaan. Het kwam ook allemaal nogal onverwachts. En dat was misschien maar beter ook. Ik had minder tijd om er tegenop te zien of er überhaupt maar over na te denken. Op dit moment was ik in elk geval enorm blij dat ik geopereerd zou worden.

De lift kwam met een schok tot stilstand. Het bed kwam weer in beweging. De broeders reden me door de gangen die ik de dag ervoor op weg naar de echo ook al gezien had. Ze gaven me ondertussen allerlei informatie over wat er ging gebeuren. Zo vertelde ze me dat ik na de operatie erg veel last zou hebben van m’n nek en schouders. Juist. Klonk heel logisch ook, bij een galblaas operatie.

Ik werd de anesthesiekamer ingereden. Het was een enorme kamer. Aan de rechterkant waren allerlei ruimtes waar bedden konden staan. Het was er heerlijk licht. Aan de linkerkant van de kamer waren ramen. Het keek uit op een soort binnentuin. Het was mooi op een aparte manier en zorgde voor een bepaalde rust.

Ik werd in het achterste hokje gereden. Er stonden een man en een vrouw op me te wachten, beide gekleed in stemmig bordeauxrood. De 2 broeders wenste me sterkte en vertrokken weer. Vrijwel gelijk begon het gepluk aan zo’n beetje elk lichaamsdeel. Ik werd volgeplakt met stickers en aan een ieder van deze stickers werd een snoertje bevestigd. De man keek op de monitor maar zei niks. Een goed teken nam ik aan, m’n hart deed het dus nog.
De infuuszak met een simpele zoutoplossing werd aangesloten en m’n bloeddruk werd opnieuw gemeten. Ondertussen kwam de vrouw aan lopen met een wasmand vol dekens. Wit met blauw. Ze pakte ze er één voor één af en gooide ze over me heen. De dekens waren warm. En ze bleven komen. Toen ze klaar was lag ik verscholen onder een stapel dekens waar je heel Polen onder kwijt kon. ‘U zult ze nodig hebben. In de OK is het nogal koud’ zei ze. Prima. Maar ik had het nu vooral erg warm.

Van mensen die al eens geopereerd waren, hoorde ik dat je eerst half high gemaakt werd voordat je onder narcose ging. Je krijgt een tabletje en je vind alles prima. Dat idee. Maar u raad het al; ik niet.

Toen het bordeauxrode anesthesie duo gereed was met prepareren, was ik klaar voor de operatie. Ik was nog steeds niet zenuwachtig, iets dat me eigenlijk verbaasde.
Het bed werd weer verreden. Ik ging door een aantal donkere, smalle gangen. Het werd steeds kouder en ik was nu inderdaad blij met m’n warme dekens.
We stopten. Er ging een deur open en een vlaag nog koudere lucht trok over me heen. Het rook er heel typisch en de kamer was felverlicht. We waren in de operatiekamer.

Het bed werd de ruimte ingereden tot naast de tafel in het midden van de kamer. ‘Kunt u zelf op de operatietafel gaan liggen?’ vroeg de man. Ik kwam overeind en schoof van het bed op de tafel. De vrouw begeleide de vele slangetjes en draden. Ik lag op de operatietafel. Alle dekens en draden werden weer ordelijk gerangschikt. Ondertussen werd de tafel verlengd. Ik was te lang.

Terwijl er om me heen van alles gebeurde had ik tijd om eens om me heen te kijken. Ik keek richting twee deuren. Ze waren identiek. Beiden hadden een rond raam iets boven het midden. Door de rechter was ik met bed en al naar binnen gekomen. Door het raam in de linker zag ik een fascinerend schouwspel. Een aantal personen, ik schat een stuk of vier, was elkaar aan het aankleden zo leek het. Schorten, mutsen, mondkapjes en handschoenen tot aan de ellebogen. Toen de verkleedpartij voorbij was, kwam één van deze lichtblauwe wezens de OK binnen. Hij liep naar de tafel waarop ik vastgesnoerd lag. Het was de chirurg die ik een half uur daarvoor nog nietsvermoedend aan mijn bed had zien staan. Hij vroeg of ik wist wat er ging gebeuren, dat moest ik hem vertellen. Ik gaf antwoord. Hij reageerde met een simpel ‘Ok, prima, het gaat goed komen’.

Het werd een kijkoperatie. Tenminste, in eerste instantie. Mocht het niet lukken, dan zou hij “gewoon de boel opensnijden”. Ook dit interesseerde me niet. Hij deed zijn best maar.
De chirurg vertrok weer. Boven m’n hoofd zag ik het gezicht van de anesthesievrouw verschijnen met een zuurstofkapje. ‘Dit geeft u wat extra zuurstof’ zei ze toen ze het over m’n mond plaatste. Haar anesthesie-wederhelft stond links van me met een injectienaald gevuld met een witte vloeistof.

Hij pakte m’n hand, opende het kleine dopje boven op m’n infuusnaald, en plaatste zijn naald in de opening. ‘Ik ga u nu onder narcose brengen. Haalt u maar een paar keer diep adem en dan valt u rustig in slaap’ sprak hij geruststellend. Ik probeerde zijn advies te volgen en deed een aanzet om diep in te ademen, maar ik kreeg de kans niet. De grote, ronde operatielamp die boven de tafel hing leek op te stijgen en werd in een groot, zwart gat gezogen. En toen ging het licht uit.

‘Meneer D.B.? Meneer D.B.? Bent u wakker?’ Ik was in beweging. Langzaam gingen mijn zintuigen weer werken. Het eerste dat ik voelde was dat de stekende pijn verdwenen was. Er was een hoop andere ellende voor in de plaats gekomen, maar de helse pijn die ik gehad had, was verdwenen. Toen ik m’n hoofd iets bewoog, schoot er een pijnscheut door m’n nek en schouders. De broeder had gelijk gehad…
‘Ik leef dus nog’ was m’n volgende gedachte. Gelijk probeerde ik m’n vingers en m’n voeten te bewegen. Ze deden het nog. Ik kon alles nog bewegen en misschien wel belangrijker, ik nam het waar. Geen kasplantje. Een opluchting.
Versuft opende ik één van m’n ogen. We reden opnieuw door de smalle gangen. Een paar tellen later kwam ik door de deuren de felverlichte anesthesiekamer weer binnen. De verpleegster stond nog steeds wachtend op een reactie boven me. Ik kneep m’n ogen weer dicht. ‘Ja’ antwoordde ik kort.
‘We zetten u hier neer, mooi midden in de kamer’ zei dezelfde vrouwenstem. Alsof ik een keuze had.
Ik had nog steeds m’n ogen gesloten maar kreeg alles mee. Het gepraat, de bewegingen die het bed maakte, de geluiden en een warm, stromend gevoel langs m’n zij. Voorzichtig opende ik weer m’n ogen. Er stond een vrouw naast me die de dekens opzij sloeg. ‘Oh, dat gaat niet goed’ sprak ze op een rustige toon. Ik keek omlaag en zag iets dat leek op bloed langs m’n zij lopen. Het blauwe operatieschort kleurde langzaam donkerrood. Een paar tellen later was de verpleegster terug met spullen om het “bloeden” te stelpen. Ze deed het operatie schort omhoog. Een enorme schok schoot door m’n lijf…

Iets onder de plek waar de pijn had gezeten, stak een doorzichtige slang uit m’n buik. Door de slang leek bloed te stromen. Net onder de slang liep het stroompje bloed naar beneden op het witte beddengoed en op het operatieschort. De verpleegster stopte het bloeden en verbond de boel. Ze keek me aan en antwoordde op vraag die ik nog moest stellen. ‘Het is een drain om overtollig wondvocht af te voeren. Het gebeurd wel vaker’.

20110820-021006.jpg

Iets in haar stem stelde me gerust. ‘Als u straks wat helderder bent, komt de chirurg even bij u kijken’. Voor m’n gevoel was ik zo helder als ik kon zijn, maar ach, zij was de verpleegster en er zat sowieso weinig anders op.

Wel had ik moeite met ademhalen en had pijn in m’n neus en keel. Het was niet zo verwonderlijk. In beide neusgaten zat een slang. Ik vroeg aan de verpleegster of deze eruit mochten. Maar het mocht niet. Ik moest wachten tot de chirurg geweest was.

Ik keek om me heen. De enorme ruimte was, op de vrouw na, leeg. Haar gerommel in een klein kamertje tegenover m’n bed echode door de ruimte. Het eentonige, constante gepiep van de monitor waar ik nog aan vastgekoppeld zat, werkte haast hypnotiserend.
Na nog wat gerommel in het kamertje kwam de vrouw weer mijn kant op. Ze controleerde opnieuw alle slangen, de monitor en nam m’n bloeddruk op. Ze pakte een pen uit haar borstzakje, sloeg de dekens aan het voeteneind weg en ging met de pen over de zool van elke voet. Als een soort reflex trok ik m’n voeten terug. Ze sloeg de dekens weer terug en pakte daarna m’n linkerarm. ‘Kunt u uw vingers eens bewegen?’ vroeg ze. Ik bewoog op commando de vingers die ze opnoemde. Ze legde m’n arm weer voorzichtig neer en haalde een klein lampje tevoorschijn. Ze scheen in m’n ogen en vroeg of ik verschillende kanten op kon kijken. Het bleken Neurologische checks te zijn. Ik werd scherp in de gaten gehouden.
Toen dit klaar was, pakte ze een stoel en ging naast me zitten. Ze begon te praten over van alles en nog wat. Ergens in het gesprek noemde ze me zelfs “Een mooie man”. Kijk, dat vergeet ik natuurlijk niet hè?

Na een minuut of 20 kwam de chirurg de ruimte in. Hij had nog steeds een blauw pak aan en een muts op. Op zijn neus stond een klein leesbrilletje. Aangezien ik de enige persoon in de ruimte was, moest hij wel voor mij komen. Hij kwam naast me staan en bekeek me van top tot teen. ‘Hoe voelt u zich?’ was zijn voorspelbare vraag.
Ik antwoordde “Wel goed” en vroeg hem of alles goed gegaan was. Hij gaf een korte samenvatting van de operatie. En dat was nogal een tegenvaller.

Het bleek dat ik op het randje gelopen had. De galblaas was zo ziek en zo ontstoken, dat ik geen 24 uur langer had moeten wachten. Dan was het zeer waarschijnlijk anders afgelopen. De galblaas was haast vloeibaar geworden, hij was aan het “verpappen” zoals hij het zo treffend omschreef, en hij was gaan verkleven aan m’n lever en m’n maag die daardoor ook aan het ontsteken waren gegaan. De normaal simpele en snelle ingreep verliep bij mij dus alles behalve vlekkeloos. Normaal is deze ingreep in hooguit 45 minuten klaar. Ik ben bijna 3 uur onder narcose geweest. Hij vertelde dat zijn assistentes al klaar stonden om me direct volledig open te snijden mocht het fout gaan. Maar hij wilde het nog één keer proberen. En toen lukte het wonderwel om het ding te verwijderen. “Voor de zekerheid” had hij een drain aangelegd om al het wondvocht dat zich in m’n buik bevond af te voeren. Ik vroeg of hij de stenen nog had bewaard. Dat had hij niet. De galblaas was er te ziek voor zei hij. Ik vond het jammer.
Hij wenste me succes en zei dat hij me deze week nog wel zou zien. Hij gaf me een klopje op m’n borst en vertrok. Zijn werk was gedaan en ik was de man dankbaar.

De verpleegster kwam weer aan het bed staan en vertelde me dat één van de twee slangen eruit mocht. Ze pakte een doekje en zei dat ik rustig door moest blijven ademen. In een vloeiende beweging trok ze de slang uit m’n rechterneus gat. Het voelde alsof m’n maag meekwam. Hij moest van diep komen. Ik voelde hem omhoog glijden, door m’n keel schuren en uiteindelijk uit m’n neus naar buiten komen.
‘De slang is aangebracht om eventueel gal en wondvocht dat in de maag terecht kan komen tijdens de operatie weg te pompen’ vertelde ze terwijl de de slang van, ik schat een meter lang, in een afvalemmer deponeerde. Ik had de tranen in m’n ogen staan. Een druppel bloed liep uit m’n neus.
‘En de andere?’ vroeg ik hoopvol. ‘Nee, die moet nog even blijven zitten tot de zuurstofwaardes hoog genoeg zijn’. Ach, dacht ik, die zuurstof is zo gek nog niet.

Ik had nu eigenlijk voor het eerst sinds de operatie even de tijd om eens te voelen hoe ik erbij lag. Ik concentreerde me op ongewone pijntjes of andere vreemde dingen en bewoog alles een beetje. Ik haalde een paar keer diep adem. Het ging redelijk. Ik had weinig pijn zo op het eerste gevoel afgaande. Alleen m’n nek en schouder waren enorm pijnlijk. Maar dit schijnt zo te horen. Al wist ik niet waarom.

Uiteindelijk mocht ik weer terug naar de zaal. Ik werd opnieuw alle gangen doorgereden, de lift in en weer terug op zaal gedeponeerd.
De twee bejaarden waren erg benieuwd of alles was gelukt. Eén van hen was een oud huisarts. Ik vertelde het verhaal dat ook ik zojuist gehoord had.
Daarna probeerde ik m’n ogen te sluiten. Het werd al weer schemerig buiten. Ik keek over de bossen terwijl de zon oranje kleurde en onder ging. M’n ogen werden zwaarder.

Ik werd weer wakker geschud door de broeder die me ook van de OK had gehaald. Hij kwam kijken hoe het ging. Ik kreeg een paar vragen. Of ik misselijk was. Of ik moest plassen. Of ik wist wat er gebeurd was. Ik wist alles en voelde me goed. Ik was niet misselijk. Ook niet geweest.
Het verbaasde hem dat ik niet hoefde te plassen. Maar het kon wel kloppen zei hij. Door de narcose word je blaas stilgelegd. Ik kreeg een grote doorzichtige fles om me in uit te leven. Het was erg belangrijk volgens de broeder. Hij trok het gordijn dicht en liet me met rust. Dat wil zeggen, tot zover je over rust kunt spreken in een ziekenhuis. Er is altijd lawaai. De twee heren tegenover me hadden een discussie over een bejaarden gerelateerd onderwerp. Ter afleiding zette ik de TV aan en probeerde me te focussen op de fles. Maar het lukte niet. Ik lag een uur met een fles tussen m’n benen naar “Boer Zoekt Vrouw” te kijken. De nieuwe boeren deden hun oproep.
Na dit uur kwam de broeder weer kijken. Of het lukte. Nee, het lukte niet. ‘Ik geef je nog even een kwartiertje en dan ga ik even kijken wat ik ga doen’. Ik zette m’n koptelefoon weer op en probeerde nog beter m’n best te doen. De aandrang om te plassen was er, het leek te gaan stromen, maar dan gebeurde er niks. Wat ik ook probeerde. Waaraan ik ook dacht. Niks. De fles bleef leeg.

De broeder was er weer. Met een soort echo apparaat. Hij keek of mijn blaas wel vol was. Dit was hij. Dus in theorie zou ik moeten plassen. M’n blaas werkte alleen niet zo mee. De woorden die hij toen sprak, zorgen nu nog voor klamme handen. ‘Ik ga zometeen een katheter aanbrengen’. Het angstzweet brak me uit. Als een laatste stuip probeerde ik de fles, die nog steeds tussen m’n benen lag en waar ik nog steeds in “hing”, vol te plassen. Maar ook dit keer zonder resultaat.

Een paar minuten later was het zover. Ik hoorde hem al aan komen lopen. Het gordijn ging opzij. Hij had zijn handen vol en was niet alleen. ‘Ik heb een leerling meegenomen’ zei hij ‘Ze moet het nog leren’. Of ik er problemen mee had. Wat zeg je dan op zo’n moment? “Nee”? Is er iemand die dat doet? Ik stemde in. Hij legde al zijn materiaal op het voeteneind. Er lag een langwerpig, dun ding ingepakt in een papieren wikkel. Het duo trok hun handschoenen aan. Ik was vanaf nu eersterangs toeschouwer van een schouwspel dat ik helemaal niet wilde zien. M’n boxershort werd uitgetrokken. Er kwam een grote tube tevoorschijn. Glijmiddel. ‘Het verdoofd ook een beetje’ sprak hij bemoedigend. Ik geloofde er niks van. En toen kwam het. De grootste schok tot dan toe. Het langwerpige ding werd uit de verpakking gehaald. Het was een rubberen slang van een centimeter of 40 lang. Geel. De grootste schok was de dikte. Het ding was namelijk pink-dik. Een centimeter in diameter ongeveer.
Mijn zweetstromen werden nog wat verder opengezet. “Dat gaat nooit passen!!” was het enige waar ik aan dacht. Ik wilde het liefst alles van me afslaan, maar dat kon natuurlijk niet.
De slang werd rijkelijk ingesmeerd met glijmiddel. Ikzelf kreeg er ook nog wat van mee. Het meisje hield “me” vast met één hand, in de andere had ze het gele monster. Het leek wel een Anaconda. Nét toen ze op het punt stond aan het werk te gaan hoorde ik de broeder tegen haar zeggen ‘Als je bij de prostaat komt, kun je wat weerstand verwachten. Gewoon even flink doorduwen dan ga je er wel langs’. Ik werd gek en moest zowat naar adem happen. Ik keek omhoog naar het plafond en voelde een brandend gevoel. Ze was binnen. Auw.
Ze ging te langzaam. Dat voelde ik. En ja hoor, waar de broeder al voor waarschuwde, de prostaat, gebeurde. En ze durfde niet verder te drukken. Ze bleef een beetje lafjes prutsen. Ik vroeg me af hoeveel zweet ik nog over had. Ik gutste.
Het lukte haar niet. Hij moest er weer uit. Het deed pijn en brandde. ‘Sorry hoor’ sprak de broeder verontschuldigend. De tube glijmiddel kwam weer tevoorschijn. Poging twee. Hij deed het nu zelf. Hij pakte me opnieuw vast en zette aan om te beginnen. Voordat ik me schrap kon zetten en ademhalen, was het klaar. Hij ramde in één keer door. Ik uitte een korte kreet. Het was even pijnlijk, maar het ding zat er in. Donkergeel vocht liep door de slang de katheterzak in. Met een diepe zucht ontspande ik mezelf.

Ik hoopte dat dit alles was voor vandaag. Toen de rust was teruggekeerd, probeerde ik te slapen. Het zou een lange nacht worden.

________________________________

– Deel V –
________________________________

De nachten in het ziekenhuis waren zo mogelijk nog erger dan de dagen en ik heb het grootste deel van de nacht wakker gelegen. Elke keer kwam de nachtzuster de zaal weer op. Dan moest er weer iemand pissen, dan weer een paracetemolletje, en uiteindelijk werd er ook nog eens een hele discussie gevoerd over het al dan niet aanblijven van een nachtlampje.
Halverwege de nacht kreeg ik een spuit Morfine. Ik weet nog steeds niet waarom eigenlijk, ik had niet veel pijn, maar het werkte ook zeer slaapverwekkend. Ik viel toch nog even in slaap en heb zodoende een heel uur kunnen slapen. Spaarzaam in ziekenhuistermen.

In het ziekenhuis zijn ze namelijk niet zo van het uitslapen. Om 7.15u precies sprongen de sfeervolle TL-balken aan en werd er een grote kar met ontbijtfrutsels binnengereden onder begeleiding van een net iets té vrolijk “Goedemorgen!!”.

Nu ben ik al geen ochtendmens. Nooit geweest ook. Ik wordt, mits op de juiste wijze opgestart, echt ziek s’ochtends. Als ik wakker word, gelijk uit bed ga en me dan te druk maak, dan wordt het kotsen. Geen twijfel mogelijk. De tijd maakt dan nog niet eens zoveel uit, maar het ritme van wakker worden en mezelf draaiende krijgen, daar gaat het mis. Ik moet dit in m’n eigen tempo kunnen doen. En in het ziekenhuis met hun USSR regime ging dat niet lekker. Wakker schrikken van licht en “Goedemorgen!!” in combinatie met medicijnen en weinig slaap heeft maar één uitkomst; misselijkheid.

De medicijnen die ik kreeg hielpen hier ook niet echt aan mee. Vanaf de voorgaande avond kreeg ik via het infuus zware antibiotica. Ik word daar altijd hondsberoerd van, van antibiotica. En dit bleek geen uitzondering.

Van de ontbijtdame kreeg ik 2 beschuitjes met vruchtenhagel. Ik kreeg ze niet weg, kreeg geen hap door m’n keel.

Het duurde niet lang of de volgende ploeg stond alweer klaar. Iedereen moest gewassen worden. Ik was blij me even op te kunnen frissen. Sinds de vorige ochtend, 24 uur geleden, had ik me niet meer kunnen wassen, laat staan douchen. Voor een complete hygiënefreak als ik die normaal 2 keer per dag douchet, was dit pure horror. Ik lag hier weerloos op m’n rug, want ik kon niks anders.

20110820-021225.jpg

De dame die me kwam wassen was vrolijk. Ik niet. Ik voelde me nietig en klein. Ik was doodongelukkig. Een gigantische, boom van een kerel die hier nog niet eens uit bed kon om te pissen. Ik kon nog niet eens uit mezelf overeind komen. Ik vertelde dit haar. Dat ik het vreselijk vond. Ze lachte en stelde me gerust. ‘Het is m’n werk. Ik ben wel wat gewend!’ zei ze. Het klonk geruststellend maar veranderde niets aan m’n gevoel. ‘Eerst ga ik uw katheter er even uithalen. De zak zit aardig vol!’. Ze hield hem omhoog. De grote zak was voor driekwart gevuld met donkere urine. Ik had er niets van gemerkt.
Ze sloeg mijn operatieschort terug om de katheter in al zijn glorie bloot te leggen. Rondom de slang legde ze een aantal doekjes. Op m’n buik legde ze een soort absorberend dekentje. Voorzichtig pakte ze alles vast en begon ze te pielen. ‘Ik laat eerst de lucht even uit het ballontje lopen voor ik dit vergeet’ sprak ze alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Ik had nog nooit van een ballonetje gehoord maar het klonk inderdaad beter om dit eerst te doen. Toen ze hiermee klaar was, begon ze voorzichtig te trekken. Ook dit was geen pretje en brandde enorm.
‘Het kan zijn dat u straks met plassen de eerste paar keer een branderig gevoel ervaart. Dit is normaal hoor, het zijn gewoon kleine beschadigingen in de plasbuis’ legde ze uit terwijl ze de slang weggooide. Het is maar wat je “gewoon” noemt…
Om te kijken of de blaas weer mee wilde werken moest ik in een fles plassen. Ik deed alles om opnieuw een katheter te voorkomen. En goddank, het lukte. Het brandde als de hel, maar ik kon weer zelf plassen. Als een kind zo blij was ik.

Na dit euforische moment kwamen er allerlei schalen tevoorschijn die ze op m’n nachtkastje plaatste, en vulde met water. Naast de schalen legde ze wat handdoeken en washanden neer. Nu moest ik nog overeind.

Sinds de gang naar de operatiekamer de vorige dag, had ik alleen nog maar gelegen. Op m’n rug. Ik had dus geen idee hoe het zou gaan. Eerst probeerde ik zelf overeind te komen. Dit lukte half. Door de pijn in m’n nek kreeg ik m’n hoofd niet omhoog. Ze legde uit dat de pijn normaal was en veroorzaakt werd doordat ze je tijdens de operatie volpompen met gas. Hierdoor komt het borstbeen omhoog waardoor de spieren die hieraan vastzitten (en onder andere richting nek lopen) beurs worden. Vandaar de pijn.

Ze moest me dus helpen. Behendig hield ze me vast en tilde me langzaam overeind. Ik hielp zodra ik m’n armen achter me kon plaatsen. Ik zat bijna rechtop. Terwijl ik hiermee bezig was schoot er ineens, het leek uit het niets, een tergende pijnscheut door m’n buik. Die had ik niet eerder gevoeld. De vrouw stopte met hijsen. Ik moest even op adem komen. Na een korte pauze ging ik verder. Langzaam puffend en steunend kwam ik steeds iets dichter bij de rand van het bed. Eén been ging over de rand. De andere volgde kort daarna. Nog iets later zat ik op de rand van het bed. Het had een paar minuten geduurd en ongelooflijk veel pijn en moeite gekost. Maar ik zat. Ik keek naar buiten en zag de bossen.

20110820-021735.jpg

De verpleegster vroeg of alles ging en haalde een glaasje water voor me. Ik moest huilen. Van ellende. Uit frustratie. Want ik had me daar, zittend op de rand van het bed in m’n bebloede operatieschort, nog nooit zó ellendig gevoeld. En hoe vaak ze ook zei dat het ok was, dat ze dit elke dag deed en dat ze het nog véél erger meemaakte, het hielp niet. Ik was ontroostbaar.
Daar zat ik dan als 24 jarige met m’n armen omhoog bloot op bed terwijl ik gewassen werd door een verpleegster. Wat een leven. Ik voelde me klein. Heel klein.

De dag rommelde voorbij. S’middags kreeg ik bezoek en dat was wel het hoogtepunt van de dag. Aan het eind van de middag kreeg ik ook nog een nieuw bed. Deze was speciaal uit Rotterdam gekomen. Het was een bed dat groter was in elk opzicht. Het was 30 centimeter langer en 20 centimeter breder. Een “Grote meneren bed”. Ik was er blij mee. Kon ik eindelijk gestrekt liggen.

Na het avondeten (wat vreselijker was dan alles dat ik ooit heb gegeten) en de volgende lading medicijnen werd het alweer donker. Gedurende de hele dag werd ik volgestouwd met medicijnen. Ook was er al twee keer bloed geprikt vandaag. Het zou wel ergens goed voor zijn.

Mijn eerste galblaasloze dag kwam ten einde. Ik lag weer op m’n rug omdat ik niks anders kon. Aan de rechterkant stak de drain uit. Rechts zat m’n infuus. Ik kon dus niet op een zij gaan liggen. De drain mocht er nog niet uit. Ik had het gevraagd, maar het antwoord was te verwachten. “Nee”.

Toen ik de volgende ochtend wakker werd, leek het op een exacte herhaling van gisteren. De nacht was verschrikkelijk, de wekservice té vroeg en té vrolijk, en ik was nog steeds kotsmisselijk.

Het grootste verschil was dat ik gedurende de nacht een manier had gevonden om eigenhandig overeind te komen. Het was absoluut nog niet vlekkeloos en deed pijn, maar het ging. Ik kon zelf op de rand van het bed gaan zitten. Het voelde voor mij als de beklimming van een berg.

De rest van de ochtend verliep ook vrijwel hetzelfde als de ochtend er voor.

Maar toch met een klein verschil. Aan het eind van de ochtend moest ik naar de WC. En dan bedoel ik niet de pisfles waar ik de afgelopen 24 uur dankbaar gebruik van had gemaakt, nee, ik moest voor een “Number 2”.
De verpleegkundige vond het een prima idee om de “Po-stoel” tevoorschijn te halen. Het komt er, heel plastisch gezien, op neer dat je zit te schijten midden op de zaal met een gordijn om je heen terwijl daarachter het dagelijkse leven doorgaat. Dat gaat dus niet werken. Hoe nodig ik ook moest. Maarja, ik moest wel. Dus wat te doen?
De verpleegkundige vroeg of ik kon lopen. Ik had geen idee. Het enige dat ik gedaan had tot nu toe was zitten op bed en opstaan om een broek aan te trekken. En dat was het.
Toch wilde ik het proberen. Ik stond op, steunend op de zuster. Stapje voor stapje liep ik door de zaal. Het toilet was net om de hoek, aan de linkerkant. Met elke schuivende stap kwam hij dichterbij. En het lukte me!
Ze zette me op het toilet neer en vroeg of het ging. Het ging en ik was blij en opgelucht tegelijk.

Toen ik weer in bed lag, vroeg ik wanneer de drain er nu uit gehaald mocht worden. Het ding irriteerde me mateloos en deed bovendien pijn. Aan het eind van de ochtend bracht een arts het verlossende woord. Hij mocht er uit.
Toen het zover was, haalde de verpleegkundige het verband eromheen los en knipte de hechtingen waarmee hij vastgenaaid zat los. Ze omringde de drain met doekjes en zij dat ik even op m’n tanden moest bijten. Ze begon te trekken. Het deed onverwachts veel pijn. Het ding leek oneindig lang en vast te zitten aan m’n maag. Het voelde alsof m’n complete maag meekwam. Ik had gedacht dat de drain gewoon in m’n zij zat en dan een centimeter of 10 diep. Niet dus.

Het ding bleek door m’n hele buik te zitten en er leek geen einde aan te komen. Toch kwam die. De drain was ik schat een halve meter lang. Bloederig. Ik was opgelucht dat hij er uit was.
Toen ik een beetje was bijgekomen, probeerde ik weer rechtop te gaan zitten. En dat ging een stuk beter. De stekende pijn was bijna verdwenen. Het bleek dus die ellendige drain te zijn. Blij dat hij weg was. Weer een stap dichterbij herstel. Of beter, richting huis.

Elk uur begon ik me ellendiger te voelen. Ik had het idee dat ik zieker werd van het ziekenhuis dan van de operatie zelf.

De sfeer, de geur, de constante herrie, het gebrek aan stilte en privacy, het brak me op. Ik wilde alleen nog maar naar huis.
Maar niemand wist me te vertellen wanneer dit was. Het irritante was dat alle artsen en verpleegkundigen elkaar tegenspraken. Dan werd er gezegd dat ik woensdag naar huis mocht. De volgende had het over donderdagochtend en er werd zelfs al eens de zaterdag als mogelijke optie genoemd. Ik brak. Nog een paar nachten hier? Ik was bang het totaal te verliezen. Ik werd gek.

De dag verliep weer vrij rustig. Visite, vrachten medicijnen, twee keer bloed prikken en een algemeen kutgevoel beheersten de dag.
De nacht was de ergste tot dan toe. Er was een vrouw in het bed naast me komen liggen met god-mag-weten wat voor een aandoening. Ze heeft de hele nacht liggen janken en kreunen. Allemaal vreselijk enzo, ze zal best pijn gehad hebben, ik geloof het gelijk, maar van mij mocht ze afsterven. Eén bak ellende dus.

De volgende ochtend was ik nog zwakker en depressiever dan voorheen. Ik heb de verpleegkundige gesmeekt om de chirurg. Ik wilde naar huis. Het was woensdag. Ik vond het prima geweest. Voor me uitstaren kon ik ook in m’n eigen bed. In alle rust.
Die middag, het leek eindeloos te duren, was daar de chirurg. Hij begon het standaard verhaal. Hoe ik me voelde en dat soort gezeik. ‘Ik wil naar huis’ onderbrak ik hem. Hij keek mijn gegevens na. Er was die ochtend bloed geprikt. Dat hoefde dus niet meer te gebeuren. Ik mocht kiezen. Of hier morgenochtend vertrekken, óf die middag nog. De keuze was snel gemaakt.

Rond 15.00uur mocht ik eindelijk weg. Het voelde als een bevrijding. Strompelend en leunend op m’n vader verliet ik het ziekenhuis. Bij elke stap voelde ik me zwakker worden. Maar ik wist dat elke stap er één dichter bij huis was.

Toen ik in de auto neerplofte, opende ik het raam. Ik snoof, terwijl de auto aan de weg richting huis begon, de frisse lucht op. Met volle teugen tegelijk. Ik had het gemist. Frisse buitenlucht. Je mist het pas echt als je er een paar dagen gedwongen niet van kunt genieten. Ik genoot intens. Vrij van slangen. Vrij van drains. Vrij van constante lawaai. Vrij van het ziekenhuis.

Het moment dat ik eindelijk na de hel van de afgelopen paar dagen in m’n eigen bed kon gaan liggen was onbeschrijfelijk. Ik sliep letterlijk binnen vijf minuten.

Ik weet niet hoe lang ik geslapen heb, maar het was al donker toen ik wakker werd. Ik keek om me heen en zag dat ik omringd werd door een zee van bloemen. Er stonden tien prachtige boeketten om me heen. Hartverwarmend om te zien dat er zoveel mensen om je geven.

De volgende ochtend, het was Donderdag, heb ik voor het eerst die week weer wat fatsoenlijks gegeten. Brood met oude kaas en twee kiwi’s. Heerlijk. Ik genoot en voelde me nu al aanmerkelijk beter dan in het ziekenhuis. Het voelde goed weer thuis te zijn.

En het ging ook beter. De wonden heelden mooi. Ik was alleen nog erg moe en snel afgeleid. Ik kon me nergens op focussen. Dit kwam door de narcose. Die had er flink ingehakt. De dagen gingen langzaam voorbij. Maar ik merkte elke dag verbetering. En dat maakte me sterk. Ook al was ik dat totaal nog niet.

________________________________

– Deel VI –
________________________________

Elke dag die voorbij ging sinds mijn thuiskomst uit het ziekenhuis was weer een betere dan de voorgaande. Elke dag kon ik meer. Elke dag hield ik het langer uit. Was ik in het begin na twee uur alweer toe aan slaap, nu werd ik pas rond een uur of één weer moe. Ik liep ook af en toe een rondje met de hond. Tenminste, ik liep op een oudemannentempo achter m’n moeder, de buurvrouw en de twee honden aan. Was kapot bij thuiskomst na deze veldtocht van, ik schat toch al gauw een meter of 400. Maar het maakte me niet uit. Ik voelde me goed en blij. Ik was mijn galblaas kwijt. Die pijn zou ik nooit meer hebben. Ik was er zo blij om.
De boel was nog een beetje beurs en als ik te lang rechtop zat kreeg ik last van veel pijn net onder m’n ribben, maar dat was niet zo vreemd natuurlijk.

Het enige waar ik nog mee liep was met de TIA. Door alle toestanden die er de laatste tijd tussen waren gekomen, was de MRI tot twee keer uitgesteld. En dit bleef knagen. Ik wist dat de nieuwe datum al gepland stond. Het moest gebeuren op woensdag 22 september. Maar dat duurde nog anderhalve week. En elke dag was er eigenlijk één teveel.

Nu ik wat meer rust kreeg en tijd had om erover na te denken, dacht ik er vaak aan. Wat er nou gebeurd kon zijn. En kan het zo weer gebeuren? Ik voelde me verder redelijk, was alleen erg moe. Maar dat kwam door de narcose. Of niet? Was het toch die tik die ik binnen in m’n hoofd gehad had? Ik wist het niet meer. Werd er onzeker van. Ik wist dat dit niet nodig was zolang ik me voelde zoals nu, maar ik bleef met een enorm stuk onzekerheid zitten.

Het probleem was ook dat ik er de tijd voor hád. Ok, ik sliep veel, maar verder had ik eigenlijk niks om handen. M’n wereld was enorm klein. Ergens vond ik het wel prettig. Ik kon wegkruipen in m’n eigen schelp. Weg van de wereld waar ik me normaal in begaf.
Aan de andere kant vond ik het vreselijk. Ik wilde gewoon weer aan het werk. M’n ding doen. Ik was geen type om stil te zitten. Moest altijd iets te doen hebben. Voelde me deels schuldig dat ik na die augustusdag nooit meer was teruggekeerd naar m’n werk. Schuldig tegenover m’n collega’s.

Ook dacht ik bij elk pijntje dat ik iets vreselijks mankeerde. Bij elk steekje of pijntje schoot ik in de stress. Ik was snel duizelig. Kwam door de narcose. Maar toch elke keer die schok “oh nee, als ik maar niet weer…” dat idee. Het was best vermoeiend.

Het was allemaal nergens voor nodig. Maar ik denk nou eenmaal altijd na. Veel teveel. Ik sta nooit stil.

De wonden zagen er goed uit. Bij één wond had ik echter last van de hechtingen. Ze beginnen te irriteren en te ontsteken. Ik had pas over een dikke week een controle, en ik had absoluut geen zin daarop te wachten. Ze deden pijn en begonnen zwaar te irriteren.
Nou vind ik het niet erg om af en toe een beetje aan mezelf te chirurgeren. Ik heb al een aantal maal zelf m’n ingegroeide grote teennagel verwijderd, zonder verdoving, dus een paar hechtingen moest me ook wel lukken.
Het was zo gebeurd. Met een klein schaartje knipte ik de knoopjes door en trok met een pincet de draden los. De boel bleef bij elkaar dus het was een stuk beter zo. De hechtingen waren flink gaan irriteren. Ze hadden diepe sneeën in m’n huid getrokken.

De week die kwam ging in hetzelfde tempo voorbij. Elke dag hetzelfde ritme. Elke dag wat beter. Ik keek uit naar de volgende week. In deze week kreeg ik én de check bij de chirurg én de MRI.

Op dinsdag 21 september moest ik voor een laatste check bij de chirurg. Ik zag meer op tegen het hele ziekenhuis en de rit erheen dan tegen de afspraak met de chirurg. Hem kon ik al. Hij mij ook. Van binnen én buiten. Aan het ziekenhuis zelf had ik slechte herinneringen.
Toen ik binnen werd geroepen herkende ik hem gelijk. Geen idee of hij mij nog herkende. De man doet van die standaard ingrepen aan de lopende band. Als hij mijn dossier maar kent dacht ik.
Het bleek dat hij me wel degelijk nog kon. Want het was allemaal niet zo’n standaard ingreep geweest. Nu pas kreeg ik te horen wat er zich allemaal afspeelde een paar weken geleden.

Het was een enorme close-call geweest. De galblaas was zwaar ontstoken en stond op het punt van ploffen. Hij was deels vloeibaar geworden en dat was overal aan gaan verkleven. M’n lever was ook bezig om te gaan ontsteken, net als m’n maag. Het was “een aardig zooitje” aldus de chirurg. Als er die zondag binnen 24 uur niks gebeurd was, dan had ik er niet meer geweest. Bam. Dat hoor je dan achteraf. Door al die ontstoken ellende is er ook die drain aangelegd om al het overtollige spul weg te drainen. Ook werd ik gebombardeerd met antibiotica. In 3 dagen heb ik 12(!) zaken antibiotica door m’n infuus gekregen. De onstekingswaardes in m’n bloed waren verontrustend hoog. Vandaar ook het twee keer per dag bloedprikken. Dit alles om een eventuele ontsteking in de buik, of erger, aan één van m’n vitale organen, te voorkomen. Kortom, het was goed dat hij weg was. Ik had enorm veel geluk gehad.
Ik vertelde dat ik af en toe last had met zitten en diep inademen. Dit bleek door een gekneusde rib te komen. Hij was zo dusdanig tekeer gegaan dat hij m’n rib geraakt had en aan de kant geduwd heeft. Vandaar de kneuzing.
Hij controleerde de littekens. Deze zagen er goed uit. Gelukkig stelde hij geen vragen over de plotseling opgeloste niet-oplosbare hechtingen…
Ik bedankte hem, zei hem gedag en vertrok. Ik was opgelucht dat ik dit hoofdstuk nu af kon sluiten. Op naar het volgende.

De dag erna was de dag eindelijk daar. En alsof het lot ermee speelde ging ook dit niet vlekkeloos. Er leek een soort vloek over mij en een MRI scan te hangen. Je zou zeggen “drie keer is scheepsrecht” maar nee. De nacht voor de MRI was ik ziek. Ik had last van enorme krampen. In m’n maag. Ik had de hele nacht opgelopen. Overgegeven. Kon amper op of neer. Maar ik had er geen trek in om de MRI weer af te zeggen. Ik was pissed. Maar die MRI zou ik hoe dan ook krijgen. Al moest ik er kruipend doorheen.

In de wachtruimte voor de MRI was het verbazend druk. Het zat vol. Ik had een afspraak over een kwartier, maar toen ik die volle wachtruimte zag kreeg ik zo het vermoeden dat dit wel eens lang kon gaan duren.
Dit bleek nergens voor nodig. Keurig op tijd werd ik geroepen. Ik had geen idee wat al die mensen hier in de wachtruimte nu deden. Ze waren óf veel te vroeg, of ze kwamen voor de gezelligheid. Hoe dan ook, het interesseerde me vrij weinig.
Ik werd naar een kleine kleedkamer geleid. Ik moest me uitkleden maar mocht boxershort en sokken aanhouden. De minst charmante combinatie van kledingstukken ooit. Ik trok voor de vorm ook m’n sokken maar uit.

Ik liep de ruimte waar de MRI stond in. Het leek een soort hightech NASA gebeuren. Ik vond het interessant. Maar ik mocht niet even kijken. Er was geen tijd. Ik moest de CD die ik had meegenomen afgeven (Elbow – Seldom Seen Kid Live at Abbey Road) en naar de ruimte doorlopen waar de MRI machine stond.

Ik moest op de tafel gaan liggen. Dit bleek een probleem. Ik was te groot. M’n voeten staken achter over de tafel heen. Nou was dit opzich geen probleem, maar de beugel die aan het eind op de tafel bevestigd was, stak vervelend in mijn Achillespezen.
Het euvel werd provisorisch opgelost met een aantal kussens.
En daar lag ik dan. Ik keek op z’n kop naar de opening achter me. “Als dat maar gaat passen” dacht ik. M’n hart ging sneller kloppen. Ik hield niet van kleine ruimtes. De jongen die naast me stond gaf wat uitleg over wat er ging gebeuren. Het was niks om bang voor te zijn. Ik kreeg een soort paniekknop mee waar ik in kon knijpen. Als ik dat deed werd de scan gelijk afgebroken. Ik ging liggen.
Ik kreeg een koptelefoon op en hoorde dat de CD al begonnen was. M’n hoofd werd vastgezet en over m’n hoofd kreeg ik ook nog iets dat leek op een vogelkooitje. Vanaf nu mocht ik niet meer bewegen. Ik kijk schuin omhoog. De jongen naast me stak z’n duim op en de tafel waarop ik lag begon langzaam naar achteren te schuiven.

Tot mijn grote verbazing schoof ik volledig de MRI in. Omdat het alleen om m’n hoofd ging dacht ik dat ik alleen met dit deel in de koker zou verdwijnen. Niet dus. Ik werd omsloten door de buis. Er was amper ruimte om me te kunnen bewegen. Niet dat dit mocht, maar toch.
Na een aantal minuten werd ik een stuk rustiger. Ik genoot van de muziek en negeerde de enorme herrie die het apparaat maakte. Constant hoorde ik geklop en getimmer. Af en toe bewoog ik iets naar beneden.
Net toen ik op het punt stond in slaap te vallen, begon de tafel wat heftiger te bewegen. Ik schoof weer terug. Ik kneep m’n ogen dicht voor het felle licht. Naast me stond de jongen alweer klaar. Hij haalde het vogelkooitje en de koptelefoon van m’n hoofd. ‘Hoe voelt u zich nu?’ vroeg hij vriendelijk. Ik antwoordde dat ik alleen wat moe was, maar dat ik verder nergens last van had.
Hij hielp me voor zover het nodig was overeind en ik liep achter hem aan de “Mission Control” weer in. Daar kreeg ik m’n CD weer terug. Ik mocht me weer aankleden.

Ik was ongelofelijk opgelucht dat ik het eindelijk gehad had. Dit namen ze me nu niet meer af. De MRI was klaar, ik was bij de chirurg geweest en moest nu afwachten tot de finale; de uitslag.

En dat duurde lang. Heel lang. De Neuroloog vond dat hij wel een vakantie verdiend had. Dat had hij waarschijnlijk ook, maar ik had het plezieriger gevonden als hij gewoon lekker thuis gebleven was. Gewoon, een jaartje lekker niet weg. Gezellig.
Ik moest namelijk nu, door dit intermezzo, bijna 4 weken op de uitslag wachten. En dat was lang. Te lang in mijn opinie omdat ik nog steeds met een gigantische onzekerheid en een mogelijk tijdbommetje in m’n hoofd rondliep waarvan ik nog steeds niet zeker wist wat het was. Ik kon niks anders doen dan wachten.

Tot die tijd had ik eind september een afspraak met de bedrijfsarts. Dit was een gebruikelijke procedure om te kijken hoe het ging, en hoe ik ging herintegreren. Voor m’n gevoel was ik al eeuwen thuis en wilde ik gewoon weer wat te doen hebben, mezelf nuttig maken. Ook al was het maar wat simpel thuiswerk, het maakte me niet uit. Het gaf afleiding.
Ik mocht vanaf 4 oktober drie halve dagen werken met een dag ertussen. Maandag, woensdag en vrijdag van 9.00u tot en met 12.00u. Als ik het vol kon houden. De bedrijfsarts vond het niet zo’n heel geweldig plan. Maar ik wilde niets lievers dan weer wat doen. Ik leefde er naartoe. Er stond geen enkele druk op. Mocht niks doen. Een beetje mail lezen, als ik maar aanwezig was. Ik vond alles prima. Ik kon het wel weer hebben!!

Niet dus. De eerste maandag was killing. De 3 uur dat ik aanwezig was geweest hadden me volledig gesloopt. Toen in thuiskwam had ik amper de energie om naar binnen te lopen. Ik heb de hele middag geslapen. Was kapot.

En zo ging dat een paar weken door. De werktijden mocht ik elke keer iets uitbreiden. Het ging steeds beter. En de dag dat ik de uitslag kwam steeds dichterbij. Ik dacht er amper aan door mijn dagelijkse afleiding die ik in de vorm van de halve werkdagen gevonden had.

En eindelijk was het zover. De dag die, of hij nu negatief of positief uit zou vallen, een belangrijke was. Ik kreeg de uitslag van de MRI.
Tot op heden had ik geen idee wat ik nu het liefst wilde horen. Aan de ene kant wilde ik graag horen dat er wat gevonden was, een oorzaak. Aan de andere kant wilde ik dit eigenlijk juist niet, wilde ik horen dat er niks te zien was. Maar dan? Het moest toch een oorzaak hebben? Maar wilde ik dit dan wel weten?
Ik besloot het maar gewoon af te wachten. Ik zag wel hoe de middag zou lopen…

Zoals gewoonlijk bij een afspraak in het ziekenhuis, was ik ook hier weer veel te laat aan de beurt.

Ik werd binnengeroepen door de Neuroloog. Hij leek relaxt en zag er ontspannen uit. Of dit nu een goed teken was, of die vier weken vakantie, ik vond het prima. Het nam de spanning deels weg.
Ik zat amper toen hij al begon met zijn verhaal. ‘Ik zal het kort houden en geen hele verhalen ophangen’. Ik mocht hem wel.
‘Ik heb de MRI goed bekeken. Alles wat maar mis kon zijn in je hoofd, ziet er prima uit. Ik zie geen vernauwingen, zuurstoftekorten of bloedingen. Het ziet er gewoon goed uit’ zei hij kort maar duidelijk. Ik was opgelucht, maar toch ook niet. Ik vroeg hem wat de TIA dan wel veroorzaakt had.
‘Dat is niet met volledige zekerheid meer te zeggen. Ik heb een aanname gedaan over wat momenteel de enige oorzaak zou kunnen zijn. Het is zeer waarschijnlijk uw galblaas geweest’. Hij begon het hele verhaal over de verpapte, ontstoken galblaas. Door de ontsteking en het vloeibaar worden van het dingen, was ik mezelf aan het vergiftigen. ‘Dit heeft er waarschijnlijk voor gezorgd dat er stolseltjes in uw bloed terecht gekomen zijn die voor de kortsluiting in uw hoofd gezorgd heeft, een TIA. Maar u heeft ontzettend veel geluk gehad’ vervolgde hij.
Het was, zoals hij zei, een aanname zoals dat zo mooi heet. Het probleem was dat mijn galblaas er niet meer was. Het viel dus niet te testen. De kans op herhaling was minimaal. Eigenlijk verwaarloosbaar zo zei hij.
Binnen vijf minuten stonden ik en m’n moeder weer buiten. Ze was opgelucht. Ik nog niet. Het was enkel een aanname toch?
Het leek me het beste het voorlopig even te laten rusten, ik moest het een plekje geven. Het kwam wel. Het had gewoon even tijd nodig.

Toen we het ziekenhuis uitliepen, ademde ik de frisse buitenlucht diep in. Terwijl we bij de auto aankwamen, keek ik nog één keer om. Het grote, saaie, betonnen gebouw werd schilderachtig uitgelicht door de zon. Het zag er zo prachtig uit, zo idyllisch. Maar voor mij was dit schouwspel aan de andere kant van diezelfde ramen tijdelijk een hel geweest. Ik stapte in, startte de auto en reed weg. Een glimlach trok m’n mondhoeken omhoog toen ik door het poortje het parkeerterrein reed. Ik was er klaar mee. Eindelijk.

– Einde –

________________________________

– Epiloog; een jaar later –
________________________________

Het verhaal heeft een redelijk lang vervolg gekregen. Tot begin 2011 heb ik last gehad van het hele proces. Vooral de narcose in combinatie met de tik in m’n hoofd van de TIA zorgde voor veel problemen. Ik had concentratieproblemen en was lange tijd zeer moe. Daar heb ik momenteel geen last meer van. Die klachten heb ik niet meer gekend. Wel heb ik tot op de dag van vandaag last van een verminderde motoriek en krachtverlies in mijn linkerhand.

Van mijn leven zonder galblaas heb ik vrijwel geen last gehad. Ik heb veel uitgeprobeerd om te kijken wat ik wel en niet kan hebben. En dat was een verademing. Eigenlijk alles gaat goed. Al moet ik uitkijken met vet eten, koffie en drop. Slechts één ding zorgt voor problemen; McDonalds. Ik ben er 3 dagen ziek van geweest. Zonder galblaas trok ik deze troep niet. Een goede waarschuwing.

Van de littekens heb ik ook weinig last, alleen af en toe met de kou. Ze zijn mooi genezen, maar blijven wel altijd zichtbaar. Ach, ik kan er niet mee zitten. Ergens nog wel stoer.

20110820-022518.jpg

De hierboven beschreven periode is zonder twijfel de meest heftige en tegelijkertijd meest belangrijke periode uit m’n leven geweest. Dit alles heeft een enorme impact op mijn leven gehad. Het heeft me veranderd. En daar heb ik eigenlijk een vreselijke hekel aan. Ik haat clichés. Maar ik kan met deze niets anders dan hem erkennen. Op wat voor een manier dan? Ik ben rustiger geworden. Dat vooral. En denk anders over het leven na. Het is mijn leven. Dus ik doe wat ik doe. Wanneer ik dat wil. Binnen een paar seconden kan het einde oefening zijn. En zo is het. Als je daar ooit eens heel dichtbij bent geweest, met één been in het graf twee keer binnen twee weken, dan zul je dit snappen. Dat is alles dat ik erover kan zeggen.
Ik heb bizar veel geluk gehad. Met een bloedpropje in je hersenen is het een kwestie van een millimeter. Die millimeter kan het verschil betekenen tussen leven en dood. Ik had ook kwijlend in een rolstoel kunnen zitten. Of verlamd kunnen raken.

Dit zijn zaken waarvan ik tot ver in 2011 nog veel last heb gehad. De vraag “wat nou als” is vaak door m’n hoofd geslopen. Té vaak misschien. Tot ik het (gelukkig) een plek kon geven. En dat is fijn.

Hoe ik me nu voel?

Prima. Beter dan ooit durf ik te zeggen. Fysiek en mentaal ben ik in topvorm. Ik geniet van m’n leven en de mensen die ik liefheb. Zonder vragen in m’n hoofd. Zonder angst. Maar met passie voor het leven dat nog komen gaat.

De heftige periode die op 20 augustus 2010 begon, is er één waar ik nu met een positief gevoel op terug kan kijken. Hoe vreemd dit ook klinkt. Ik ben gewoon blij met het feit dat het me heeft gevormd tot de persoon die ik nu ben. En dat is een kostbaar iets.

“Dream as if you’ll live forever, live as if you’ll die today”

reacties
  1. Gavi Mensch zegt:

    O zo herkenbaar Dan, wat een boel ellende in korte tijd. En denken dat het nooit ophoudt en er toch weer bovenop komen. Het ergste was van het niets in de sores terecht komen, zonder aanwijzing. En nu is elke dag er weer één, een bijzondere, verwonderlijk. De sterke minnen zijn wel iets sterker geworden, als reactie op de narigheden van alle dag die niet met optimisme te overwinnen zijn. De positieve zaken van het leven moeten dagelijks uitgebuit. En de emoties liggen als tranen klaar om te stromen… daar zorgen de hersens wel voor;-))
    Ik heb een soortgelijk proces doorgemaakt. Je hebt het prachtig verwoord, ik heb alleen korte stukjes geschreven in dagboeken en nog niet samengevoegd. Ik zie nu dat dat ws wel nodig is. Het maakt het terugkijken een stuk eenvoudiger, niet minder zwaar, alleen eenvoudiger. Day by Day, Dan en zo nog vele mooie jaren.;-))

    • DanMan zegt:

      Dank je voor je mooie reactie. Mede dit soort reacties hebben me vorig jaar erg gesterkt. Zoals ik hierboven verwoord, geniet van elke dag. Tuurlijk zitten er slechte tussen. Maar ik zie het anders.
      En inderdaad. Nog vele gezonde jaren!! Daar ga ik van uit.😉

  2. Mich zegt:

    Ik vind de beginpagina van wordpress toevallig hier gekomen en heb net in één adem je verhaal gelezen, zo bizar en raar dat het allemaal zo in één keer kan veranderen je leven. Hoe cliche ook, mooi dat je hierdoor meer van het leven geniet.

    Ik wens je veel goeds toe!

  3. Poehee… wat een verhaal. Ben er stil van. Heeft even geduurd vandaag om het te lezen, maar ben blij dat ik het gedaan heb. Wat moet je je bang gevoeld hebben. Ik kan het me (gelukkig) niet voorstellen. En nu een jaar verder… gelukkig dat je je zo goed voelt! Vind het heel wat dat je dit zo helemaal beschreven hebt en het ook publiceert.

    • DanMan zegt:

      Dank voor je reactie en dank voor het lezen. Inderdaad, lastig en confronterend om te schrijven. Maar het werkt goed om het weg te kunnen zetten. Het een plaats te kunnen geven.

  4. Angelique zegt:

    Lieve Danny,

    De 1e x dat ik het verhaal las, was ik sprakeloos. Nu ik het voor de 2e x lees krijg ik er tranen van in mijn ogen. Dat komt omdat ik je de laatste tijd ietsje beter ben gaan leren kennen en je volgens mij een geweldig iemand bent waar je waanzinnig mee kunt lachen. Ik ben blij dat je er positief op terugkijkt. Maar je hebt gelijk, want; What doesn’t kill you makes you stronger. Hoe cliché dat ook mag klinken.

    Leuk al die foto’s, maar ik mis die van de catheterisatie, hahaha!😉

    Het blijft een indrukwekkend verhaal en ik hoop dat dit de 1e en laatste x is dat je zoiets meemaakt. Want daar ben je veel te leuk voor!

    Liefs, en een dikke knuffel, Angelique

    • DanMan zegt:

      Dank je. Van zo’n reactie ben ik dan weer sprakeloos. Lief.
      En tijdens de catherisatie was ik ehh, druk met andere dingen….

      Ik hoop het ook niet nog eens mee te maken. Vond dit wel genoeg!! X

  5. mila fleury zegt:

    Mooie blog, je nam me mee niet alleen in hoe alles is verlopen, maar vooral ook in je gedachtengoed. Relativeert bij mij de boel weer een beetje.

    En nee, uiteraard hoop ik dat je dit nog niet een keer meemaakt, maar ik hoop wel dat je verder gaat met schrijven. Sprankelend!

    Lieve groet

  6. Een thriller. Met goede bijpassende beeldmateriaal. Begonnen rond half 12 in de avond met verplichte honden uitlaat moment, te aangrijpend verhaal om even te stoppen.

    Indrukkend. Bij de eerste delen had ik soms Dan wat ben je toch een oelewapper, hup naar de doc of SEH. Bij doktoren met hun “paracetamol-oplossing” dacht ik dan juist stom wijf. Heb je geen ander bandje?

    Happy ending of this, this part of the, story.

  7. Marlous (@lousjem) zegt:

    Vorig jaar alles gelezen, alleen geen contact….nu wat vaker contact en dan lees je het toch weer anders. Mooi dat je het toentertijd zo hebt opgeschreven……mooi dat je erop terug kijkt nu. Ik ben zo blij voor je dat je er nu nog nauwelijks last van hebt….
    Want wat ik zie en merk, ben je een warm mens…..en daar hebben we er nooit genoeg van!

  8. Eddy zegt:

    Ik ben er eigenlijk nog stil van. Weet ook niet zo goed wat ik moet zeggen, het zou allemaal zo cliché klinken.

    Ik vraag me af of ik ooit de energie zou hebben, in een soortgelijke situatie.

    Erg knap en bewonderenswaardig. Hopelijk hoef je nooit meer iets dergelijks door te maken.

  9. jeetje joh Danny. Ik schrik ervan. Heb deze hele blog in een keer gelezen en ben er nog stil van. Weet niet wat ik zeggen moet. Maar denk dat je n grote inspiratie kunt zijn voor mensen die altijd maar denken dat alles vanzelfsprekend is. Want dat is het dus echt niet. Dat blijkt/bleek maar weer. Ben blij om te lezen dat alles nu weer goed met je gaat. Gelukkig!

    • ingrid zegt:

      die mrsspeechless ben ik hihi. blijkbaar ook n account bij wordpress

      gr ingrid

    • DanMan zegt:

      Dank je, mooie woorden.
      Ben inderdaad blij dat ik er naast een minder goede linkerhand eigenlijk niks aan over heb gehouden. Een klein wonder, ook volgens artsen. Ben er echt door veranderd, en daarom kijk ik er positief op terug. Viva la vida.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s